Home » De Gezellen van Nazire » Dievegge » Dievegge: Hoofdstuk 1

i. de beurs

Het was een dag als alle anderen. Het was druk op de fruitmarkt. Tenos Gul genoot van de geur van het vers gesneden fruit dat de kooplui de voorbijgangers aanboden om hen tot koop te verleiden.

Ze had geen bepaald doel voor ogen vandaag. Misschien wat fruit kopen, een praatje maken met deze en gene.

Haar oog viel op een man die eruit sprong tussen de mannen en vrouwen die ze hier elke dag zag. Het was niet zozeer de snit van zijn kleding, als wel de kwaliteit van de stof van zijn kleding. De combinatie rood en goud verbond hem met het huis Utenna.

Ze besloot hem in de gaten te houden.

Sinds ze zich aan de armoede ontworsteld had, had ze zich voorgenomen alleen nog te stelen van mensen die het beter hadden, die het konden missen. En deze man wekte de indruk dat hij het wel missen kon. Ze had weliswaar niet echt geld nodig op dit moment, maar ze moest haar vaardigheden op peil houden.

De man bleef staan bij de kraam van Kolan. Kolan bood hem meteen een stukje sinaasappel aan. De man aarzelde een ogenblik en pakte het toen aan. Tenos kon zijn gezicht niet zien, maar kon zich wel een voorstelling maken van zijn verzaligde blik. Kolans sinaasappels waren altijd heerlijk zoet.

'Geef me er maar twee,' zei de man.

Zijn hand verdween in zijn broekzak en haalde een beurs tevoorschijn. Die zag er goed gevuld uit.

Kolan noemde zijn prijs en muntstukken wisselden van hand. Hij pakte de sinaasappels aan.

Tenos keek nauwkeurig toe toen de man zijn beurs weer in zijn zak liet glijden. Ze knikte inwendig. Dit was een makkie, bijna alsof hij wilde dat de beurs gerold werd. Die man had nog nooit met zakkenrollers te maken gehad. Dat was wel duidelijk.

Ze volgde hem op korte afstand toen hij weg liep bij de kraam. Hij was vrij klein van gestalte. Dat maakte het nog makkelijker.

Nu was het wachten op het geschikte moment.

Dat kwam vrij snel. Er naderde een groep mannen van de andere kant. Ze waren luidruchtig en agressief en iedereen ging aan de kant. Toen de man opzij stapte, liep zij op de juiste plek. Haar hand gleed in zijn zak terwijl hij tegen haar aan botste en toen hij zich met een gemompeld excuus weer van haar verwijderde, bleef zij met de beurs achter.

Een ogenblik later was de man in de menigte verdwenen. Hij had niets gemerkt.

Niet dat ze daar bang voor was geweest. Zij was de beste. Als zij haar zinnen ergens op zette, dan kreeg ze het.

*

Ze draaide zich om om de andere kant op te verdwijnen en botste tegen een jongen aan die ongeveer even groot was als zijzelf. Ze had hem nog nooit eerder gezien. Hij leek een jongen zoals er zoveel door de stad zwierven, maar zijn kleren zagen er te goed uit.

Hij keek haar boos aan en hield zijn linkerhand op.

'Geef die beurs aan mij.'

Ze voelde een prik in haar buik, vlak onder haar ribben. Hij zette druk op het mes.

'Nu!'

Verbouwereerd stak ze de hand met de beurs uit. Hij griste de beurs uit de haar hand, draaide zich om en rende weg, zigzaggend tussen de mensen door.

'Wel verdraaid,' gromde Tenos.

Dat was haar al heel lang niet meer overkomen. In het begin, toen ze net op straat was gaan leven, was het wel eens gebeurd. Maar na een paar keer lieten de anderen het wel uit hun hoofd. Ze mocht dan klein zijn en jonger dan de meeste anderen, ze had altijd een manier gevonden om ze terug te pakken.

Ze kwam in beweging. Dat was haar buit, daar had zij moeite voor gedaan. Die liet ze zich niet zomaar afpakken.

De jongen rende niet ver. Hij schoot de Koesteeg in en liep daar rustiger verder. Tenos bleef een ogenblik staan aan de ingang en volgde hem toen op een afstand.

De Koesteeg verbond de Fruitmarkt met de Oosterweg en werd door veel mensen gebruikt. Genoeg voor haar om onzichtbaar te blijven, maar teveel om hem hier al aan te pakken.

De jongen leek zich er niet bewust van te zijn dat ze hem volgde, leek zelfs geen achtervolging te verwachten. Hij was of erg zelfverzekerd, of buitengewoon nonchalant!

Nou, als hij zo gering over haar dacht, zou ze hem wel eens een lesje leren.

Gaandeweg verbaasde ze zich steeds meer over hem. Deze jongen was niet op straat opgegroeid. Hij vertoonde niets van de schichtigheid die daarbij hoorde. Zelfs zij was daar na twee jaar onafhankelijkheid en in redelijke welstand nog steeds niet helemaal vrij van.

Aan het eind van de steeg sloeg hij rechts af, de Oosterweg op, naar de buitenwijken van Gabba. Een verrassende keuze. Dat was geen werkterrein voor zakkenrollers. Of had hij er een leeg huis gevonden waar hij kon schuilen? Riskant.

Hij bleef doorlopen, steeds verder de buitenwijken in. Hier stonden geen huizen meer aan de straat. Aan weerskanten stonden muren en hekken met poorten. Die leidden naar de villa's van de rijken die ver van de straat af stonden.

Wat zocht hij hier?

De jongen bleef bij een van de poorten staan, sprak kort met de man die daar op wacht stond, een forse man met een leren kuras, een zwaard aan zijn zijde en een flinke knuppel in de hand waarvan het verzwaarde einde naast zijn voeten op de grond rustte. Niet iemand om lastig te vallen.

De jongen liep de poort door en verdween.

Tenos liep rustig door. Stille Haven las ze boven de poort. De muur was redelijk hoog, een meter of drie. Ze kon de jongen niet volgen. Ze kon weinig anders dan wachten. Op zeker moment moest hij weer naar buiten komen. En dan zou ze hem te grazen nemen. Hij zou er niet mee wegkomen.

*

Het duurde niet zo heel lang voor de jongen weer door de poort naar buiten kwam. Hij liep meteen weer terug in de richting van het centrum. Tenos volgde hem op enige afstand.

Wat had hij daar gedaan? Ze kon zich niet voorstellen dat hij hier woonde. Werkte hij voor de man die daar woonde? Maar waarom zou hij voor één beurs dat hele eind lopen? Waarom niet wachten tot hij zijn zakken vol had? Haar vroegere meester verwachtte haar en de andere kinderen die voor hem werkten pas aan het eind van de dag bij hem terug met goed gevulde zakken. En hij was zelden tevreden geweest met hoeveel ze mee brachten.

*

'En Tenos. Wat heb jij voor me mee gebracht?'

Arras, haar meester, kijkt zuinig op haar neer.

Tenos maakt haar zakken leeg. Negen goed gevulde beurzen.

'Is dat alles? Jij bent mijn beste zakkenroller, Tenos. Ik verwacht meer van jou.'

'Maar, meester, ik …'

Haar woorden worden afgesneden doordat Arras' hand met grote kracht haar wang raakt. Ze verliest haar evenwicht en valt.

'Waag het niet mij tegen te spreken,' gromt Arras. 'Wie is hier de baas?'

'U, meester Arras,' antwoordt ze.

'Inderdaad! Jij bent veel te gauw tevreden met jezelf. Ik weet dat jij veel beter kunt.'

'U had negen gezegd,' fluistert Tenos.

'Wat zei ik nou,' gromt Arras zijn hand weer opheffend.

Tenos krimpt in elkaar. 'Vergeef me, meester.'

Arras kijkt op haar neer en laat zijn hand langzaam weer zakken.

'Als ik zeg negen, bedoel ik niet dat je met negen tevreden moet zijn.'

'Morgen breng je tien beurzen binnen. En zorg dat ze goed gevuld zijn. Begrepen?'

Dat betekent dus dat ze minstens elf beurzen moet binnenbrengen. Nogal een opgave. Weigeren is geen optie. Dan zal hij haar persoonlijk afranselen. Dat zou niet de eerste keer zijn. Ze weet ook wat haar te wachten staat als ze faalt. Dan laat hij de andere kinderen hun gang gaan. Die weten wel raad met de favoriet van hun meester. Als ze geluk heeft, overleeft ze het. Hoewel geluk … Ze heeft de vorige favoriet gezien, toen ze net bij de groep is gekomen. Maar ze heeft weinig keus.

Dus antwoordt ze gedwee: 'Ja, meester.'

Voorlopig is hij de meester. Maar lang zal dat niet meer duren. Ze zal vrij zijn. En nooit zal iemand haar ooit nog vertellen wat ze moet doen.

*

Tenos versnelde haar pas wat, zodat ze dichter bij hem kwam. Hij keek nog steeds niet op of om.

Toen ze het centrum weer naderden, schoot hij een steeg in. Deze steeg was vrijwel verlaten. Het stonk er naar afval.

Tenos haalde haar mes te voorschijn en versnelde haar pas nogmaals. Pas op het allerlaatste moment werd hij zich bewust van haar nadering en keek over zijn schouder. Toen was het te laat.

Ze pakte zijn hoofd vast en zette haar mes op de zijkant van zijn hals, op de halsslagader.

'Waar is mijn beurs?' fluisterde ze in zijn oor.

De jongen verstijfde. Zijn hand ging naar zijn riem.

'Probeer het niet! Je bent dood voor je je mes hebt. Houd je handen omhoog.'

Hij gehoorzaamde.

'Waar is mijn beurs?'

'Die heb ik afgegeven,' fluisterde hij. Hij slikte een paar keer waarbij zijn adamsappel op en neer wipte. 'Dat was mijn opdracht. Rollen en inleveren.'

'Eén beurs? Laat me niet lachen.' Ze trok zijn hoofd verder naar achteren zodat de huid strak kwam te staan onder het mes.

'Alleen deze ene. Ik had hem moeten rollen.'

Tenos duwde de jongen tegen de muur en zette haar mes op zijn borst, net onder het borstbeen. Ze trok zijn mes en gooide dat achter zich op de grond. Ze keek hem woedend aan. 'Wou je zeggen dat je speciaal op deze ene beurs uit was?'

'Ja,' fluisterde hij, gespannen. 'Dat was de man wiens beurs ik moest rollen. Zonder beurs terugkomen was geen optie.' Hij praatte zenuwachtig. Hij was bang! 'De baas had me precies verteld hoe de man eruit zag en waar ik hem kon vinden. Hij was er … en jij was me net voor.'

Hij staarde haar met grote ogen aan.

'Wou je zeggen dat het de bedoeling was dat die beurs gerold werd?' Dat zou een en ander verklaren.

De jongen haalde zijn schouders op. 'Ik had mijn opdracht. Ik heb het geld hard nodig.'

'Het is voorbij, nou,' zei hij een ogenblik later. 'Vergeet die beurs. Zoek je volgende slachtoffer.' De wanhoop stond op zijn gezicht te lezen.

Tenos duwde tegen haar mes. Er verscheen een rode plek op zijn hemd.

'Nee, niet doen.'

'Stil,' gebood Tenos. 'Wie is je baas? Waar kan ik hem vinden?'

'Mijn baas is meester Edos Garan,' zei de jongen meteen. 'Maar als je denkt dat je …'

Tenos draaide de punt van haar mes en de jongen zweeg onmiddellijk.

'Waar?'

'In de villa waar ik naar binnen ben geweest.'

Dat had ze al wel verwacht, maar ze wilde het zeker weten. Ze was er niet bang voor dat hij haar bedroog. Hij was doodsbenauwd.

'Wat is het wachtwoord?'

'Hoe bedoel je?'

'Voor je door de poort ging, zei je iets tegen de wacht. Een wachtwoord?'

De jongen schudde zijn hoofd. 'Dat was niets. Hij kent je of hij kent je niet. Als hij je niet kent kom je er niet in.'

'Kun jij me binnen brengen?'

Zijn ogen werden groot en hij hief zijn handen op in een afwerend gebaar. 'Nee. Vergeet het. Steek me dan maar meteen dood.'

'Hoe herken ik die Edos Garan? Wat is hij voor iemand?'

'Groot! En hij draagt altijd felle kleuren. Maar laat je niet misleiden door zijn belachelijke uiterlijk. Hij is gevaarlijk, echt waar. Laat je niet met hem in.'

Tenos deed een stap naar achteren en stak haar mes weg. Hij had verder geen nut voor haar. Ze maakte een gebaar met haar hoofd dat hij moest vertrekken.

De jongen verroerde zich niet. Ze haalde haar schouders op en wendde zich af om terug te gaan naar de villa.

'Wacht,' riep hij haar terug.

Ze keek over haar schouder.

'Ik meen het. Probeer niets bij Garan. Je maakt geen kans. Hij is gevaarlijk! Je weet niet hoe.'

Tenos veroorloofde zich een glimlach.

'Dank je voor je waarschuwing.'

Daarna liep ze weg zonder nog om te kijken.

*

Toch voelde Tenos zich niet helemaal op haar gemak toen ze terug wandelde naar de villa. Het was de toon waarop de jongen gesproken had. Hij was echt bang geweest. En banger voor zijn baas dan voor haar, terwijl de punt van haar mes in zijn buik priemde.

Maar waarom zou ze bij deze Edos Garan niet binnen kunnen komen? Zij was de beste dievegge in de stad. Geen slot kon haar tegenhouden. Ze had geleerd van de besten en had hen overtroffen. Misschien was deze Garan gevaarlijk, maar ze zou hem niet ontmoeten, toch? Dat maakte haar zo goed. Ze wist altijd contact te vermijden.

Maar daarvoor moest ze de nodige voorbereidingen treffen.

Ze liep de poort weer voorbij. De man stond er nog steeds op wacht en de poort was niet gesloten. Ongetwijfeld zou die 's nachts wel op slot zijn. Maar zou er dan ook nog een bewaker staan?

Ze bekeek de muur. Die was vrij hoog en er was geen begroeiing van betekenis langs de weg en ook niet aan de andere kant van de muur. Zonder touw en een haak kwam ze daar niet overheen. Maar de muur van de volgende villa was een stuk minder hoog. En het punt waar de twee muren elkaar ontmoetten was niet beveiligd. Als ze op de muur van de buren klom, kon ze zo op de muur van Garans villa klimmen en dan lag zijn tuin open.

Het was natuurlijk mogelijk dat er bewakers in de tuin rond liepen. Maar die zouden niet moeilijk te vermijden zijn. Niet voor haar.

Ze had echter geen idee van de inrichting van de tuin. De hoogte van de muur was zodanig dat ze vrijwel niets van wat erachter lag kon zien, ondanks het feit dat de villa op een helling lag.

Ze zou hier vannacht terugkomen en de tuin verder verkennen. Het was ondenkbaar dat er geen manier zou zijn binnen te dringen. Niets had haar tot nu toe tegen kunnen houden. Ze twijfelde er geen ogenblik aan dat ze hier binnen zou komen. Het was een kwestie van geduld.