Home » De Gezellen van Nazire » Slaaf » Slaaf: Hoofdstuk 1

i. slaaf

Waar was Ulassar?

Kanter had overal gekeken, in het magazijn, het kantoor, zijn kamer. En niemand had hem sinds de middag nog gezien.

Waar kon hij zijn? En waarom klopten de boeken niet? Had het met elkaar te maken? Was hij gevlucht omdat de boeken niet klopten? Of klopten de boeken niet omdat hij weg was?

Allemaal vragen zonder antwoord, tot hij Ulassar vond.

Maar hij had overal al gekeken.

Nee, wacht. De olijfgaard!

Kanter draaide zich om en liep naar de poort.

Als Ulassar wat tijd voor zichzelf wilde, zocht hij meestal de olijfgaard op. Daar was het rustig.

Hij liep de poort uit en langs de muur naar de zuidzijde van het landgoed. Vanaf de hoek leidde een smal pad schuin de heuvel op naar de olijfgaard die met een heg van doornstruiken was afgeschermd. Hij maakte het hek open en stapte naar binnen.

Het was een rustige plaats. De schaduw onder de bomen was het aangenaam koel. De geluiden van de binnenplaats werden afgeschermd door de muur.

Naar links en rechts kijkend liep Kanter tussen de bomen door naar de achterkant van de gaard. Ongeveer halverwege zag hij Ulassar zitten.

Eindelijk.

'Ulassar.'

De oudere man zat met zijn rug tegen een boom. Kanter kon zijn gezicht niet zien. Maar wie kon het anders zijn.

Hij liep naar hem toe. 'Ulassar?' Maar de man reageerde niet.

Sliep hij?

Nee! Kanter zag meteen dat er iets mis was. Er was iets onnatuurlijks aan zijn houding.

Kanter liet zich op zijn knieën zakken en legde zijn oor tegen Ulassars borst.

Niets.

Hij was dood.

Kanter schudde zijn hoofd. Tranen prikten in zijn ogen. Niet Ulassar. Zo oud was hij nog niet. Net vijftig. Hij raakte zijn wang aan, streelde die. Het lichaam was nog warm, registreerde hij onbewust.

'Ulassar!'

Hij had Kanter opgevangen toen hij als jongen van elf hier was binnengekomen. Hij had hem opgeleid voor zijn taak. Hij was er altijd geweest. En nu, nu was hij er niet meer.

De tranen begonnen te vloeien.

Na een tijdje, toen de vloed wat afnam, zag hij dat Ulassar iets in zijn hand had. Hij maakte de vingers open en zag er een blad in liggen, een blad van een struik of boom.

Hij pakte het blad op en hield het onder zijn neus. De geur was heel sterk, aromatisch, vol. Hij had het nooit eerder geroken. Of toch wel? Soms had deze geur in het kantoor gehangen.

Een bang vermoeden kwam op.

Kanter wrong Ulassars mond open. In de wang vond hij een prop, een gekauwd blad.

Bessa! Dit was bessa. Het blad dat de geest verminkte en het lichaam verzwakte. Hij herinnerde zich de waarschuwingen van thuis. Geen goed woord hadden zijn leraren er voor over gehad. En het was Ulassar fataal geworden.

Opnieuw vloeiden de tranen.

'Waarom? Waarom, Ulassar?'

Kanter ging staan. Hij stak het blad en de prop uit Ulassars mond in zijn zak. Hij moest meester Kadir waarschuwen.

* * *

De meester was in het huis. Kanter stapte de veranda aan de voorzijde van het woonhuis op en veegde zijn voeten op de mat die daar lag. Hij haalde een aantal maal diep adem om zichzelf weer onder controle te krijgen en klopte op de deur.

Even later opende Usuta de deur. Dat verraste hem want zij was het hoofd van de staf in het huis en liet dit liever aan minderen over.

'Usarif!' vroeg ze. Hoewel ze een kop kleiner was dan hij, slaagde ze erin uit de hoogte te doen. 'Wat wil je?'

Kanter had inmiddels wel geleerd om te reageren op de naam Usarif, maar in zijn hoofd hield hij vast aan de naam die zijn ouders hem hadden gegeven. Dat was zijn enige band met thuis.

'Ik moet de meester spreken, over Ulassar.'

'Moet?' Usuta keek hem misprijzend aan. 'Ik zal hem op de hoogte stellen.'

Kanter knikte en stapte weg van de deur. Het had geen zin aan te dringen. Usuta had geen achting voor een slaaf van buiten.

Geduldig wachtte hij tot meester Kadir naar buiten kwam.

'Wat is er?' vroeg Kadir geprikkeld, toen hij eindelijk naar buiten kwam.

Kanter slikte. Nu hij het hardop moest zeggen, viel het hem zwaar.

'Meester, ik heb Ulassar gevonden, in de olijfgaard.'

Kadir keek hem vragend aan. 'Wat? Daar zit hij wel vaker, toch.'

'Hij is dood,' fluisterde Kanter.

Kadirs ogen gingen wijd open. 'Ulassar? Dood?'

Kanter haalde het blad en de prop uit zijn zak en hield die omhoog. 'Dit vond ik bij hem. Die prop had hij in zijn mond.'

Kadir verbleekte.

'Geef dat hier.'

'Waarom zou hij dat gebruiken, meester?'

Kadir gaf geen antwoord. Hij stopte het blad en de prop in zijn zak en gebaarde Kanter hem te volgen. Ze staken de binnenplaats over en liepen het magazijn in. Kadir opende het kantoortje en sloot de deur zorgvuldig achter hen.

Kadir bekeek het losse blad zorgvuldig en rook eraan.

'Het is bessa, meester.'

'Dat weet ik, Usarif,' zei Kadir scherp. 'Spreek hier met niemand over!' Hij leek even na te denken. 'Neem iemand mee en breng het lichaam van Ulassar naar het magazijn. Ik ga de begrafenis regelen.'

'Maar de les begint zo,' zei Kanter. Hij gaf de jongste dochter van zijn meester elke dag voor het avondeten lees- en schrijfles. Iets wat hij met veel plezier deed. Nadal was een slim en leergierig meisje van elf.

'Haast je dan. De les moet doorgaan.'

* * *

'Vrouwe Nadal.'

Kanter boog toen het meisje van elf het leslokaal binnenstapte. Als de les eenmaal begonnen was, mocht hij haar gewoon Nadal noemen, maar hij moest haar verwelkomen zoals passend was voor de dochter van zijn meester.

Samen met een van de staljongens had hij het lichaam van Ulassar naar het magazijn gebracht. Iedere keer weer kwam hem het beeld van Ulassar gezeten tegen de olijfboom voor de geest. En daarmee de pijn van het verlies. Zou hij dat ooit kunnen vergeten?

Maar nu het vrolijke meisje het lokaal binnenliep, gleden de donkere gedachten van hem af. Het viel hem niet eens moeilijk te glimlachen.

'Ushach kan vandaag niet,' zei ze opgewekt.

Tot zijn stomme verbazing werd Nadal niet door haar kamermeisje Ushach gevolgd, maar door haar zes jaar oudere zus Kalin.

Ze keek hem verstoord naar hem op.

'Neem me niet kwalijk, vrouwe Kalin.' Hij boog.

'Mijn vader heeft me gevraagd om op te passen. Als dat geen bezwaar is.'

'Natuurlijk is dat geen bezwaar, vrouwe,' haastte hij zich te antwoorden. Was dat te gretig?

'Neemt u plaats.'

Kalin nam plaats op de stoel tegen de achterwand en zakte verveeld onderuit. Nadal ging op de kruk zitten die in het midden van de kamer voor haar klaar stond, tegenover de grote kaart van het Continent, die haar vader had laten maken. Dat moest hem een klein fortuin gekost hebben want hij was zeer zorgvuldig uitgevoerd.

'U mag de stoel ook naast Nadal zetten, vrouwe Kalin.'

Ze schudde haar hoofd.

'Ik heb de afspraak met vrouwe Nadal dat ik haar als de les eenmaal begonnen is als Nadal mag aanspreken. Dan is zij de leerling en ik ben de leraar.'

Kalin keek hem een ogenblik aan, de wenkbrauwen gefronst boven haar donkere ogen. Wat is ze toch mooi.

'Vindt mijn vader dat goed?'

Kanter knikte, waarop Kalin haar schouders ophaalde. 'Dan zal het wel goed zijn. Begin nou maar.'

'Ga je vandaag vertellen over Udai van Kunach?' vroeg Nadal.

Kalin boog naar voren. 'Nadal! Zo spreek je je leraar niet aan.'

Nadal keek even over haar schouder en zuchtte toen. 'Gaat u over Udai van Kunach vertellen, leraar Usarif?'

'Als jij dat graag wilt, Nadal.'

Kalin keek hem met een scherpe frons aan. Het stond haar niet goed. Maar hij zou haar hierin toch niet terwille zijn.

Hij werkte al bijna een jaar met Nadal en zij zou niet bepalen hoe ze met elkaar omgingen. Aanvankelijk had hij Nadal vooral lees- en schrijfles gegeven, maar zij was leergierig en al snel was hij begonnen haar wegwijs te maken in de complexe geschiedenis van de wereld rondom haar. Ze waren zelfs begonnen aan het Kunach, de taal die in een groot deel van Lugdenai gebruikt werd als taal voor de handel en diplomatie.

'Udai van Kunach was de zoon van Elai, die veel van de stammen in het Lege Land verenigd had. Udai was de man die uit die vereniging een eenheid smeedde. Hij maakte van de woestijnruiters een leger dat zijns gelijke niet heeft gehad. Tijdens zijn leven veroverden de stammen vrijwel alle landen ten zuiden van de Agilon.'

Hij liet Nadal de plaatsen, het Lege Land, de Agilon en andere plaatsen die hij noemde, op de kaart aanwijzen. De meeste kende ze wel.

Kanter wierp een steelse blik op Kalin, maar zij leek totaal niet geïnteresseerd. Nadal daarentegen keek hem gefascineerd aan.

'Wie volgde Udai op?'

'Zijn zoon Haddai,' antwoordde Nadal prompt.

'Hoe lang had hij geregeerd over de stammen?'

Nadal aarzelde even. 'Vijftig jaar?'

'Bijna. Na bijna vijftig jaar liet Udai een enorm rijk na aan zijn zoon. Het was goed georganiseerd, verdeeld in provincies met krachtige bestuurders.

'Maar zijn zoon Haddai had niet het talent van zijn vader en ook niet diens overwicht. In de jaren dat hij regeerde was het leger voortdurend bezig om opstanden neer te slaan en afvallige gebieden te heroveren. Niet alleen de onderworpen volken kwamen her en der in opstand, ook de bestuurders die zijn vader aangesteld had, probeerden zich aan de macht van Haddai te ontworstelen en hun eigen rijk, hun eigen dynastie te stichten.

'Het was voor een groot deel te danken aan een kundige generaal, Umen zoon van Larsu, dat hij het twintig jaar op de troon volhield.'

Vanuit zijn ooghoeken zag Kanter dat Kalin geïnteresseerd zat te luisteren. Maar toen hij zijn hoofd draaide, sloeg ze haar ogen neer en deed weer alsof het haar helemaal niets interesseerde. Kanter glimlachte.

'Hoe kwam Haddai aan zijn eind?' vroeg hij Nadal. 'In een veldslag?'

Nadal schudde onzeker het hoofd.

'Een ongeluk?'

Het meisje keek hem vragend aan.

'Nou?'

'Ik weet het niet,' zei ze. 'Leraar,' voegde ze er na een aarzeling achteraan. Ze keek achterom.

'Heel goed, Nadal. Er is niets verkeerd aan om je onwetendheid kenbaar te maken. Alleen dan kun je nieuwe dingen leren, dingen beter leren begrijpen.'

'Hoe is hij dan gestorven?'

Kanter knikte. 'Het stellen van vragen is de weg van de leerling! Maar ik moet je het antwoord schuldig blijven. Niemand weet het zeker. Sommigen zeggen dat hij is vergiftigd, anderen dat hij zich zo schaamde over zijn falen dat hij zelfmoord heeft gepleegd.'

'Wie volgde hem op?' vroeg hij een ogenblik later.

'Niemand.'

'Dat is niet helemaal waar. De generaal probeerde het rijk nog bij elkaar te houden. Maar de zoon van Haddai Elai, die toen vijf jaar oud was, verdween een jaar later spoorloos en de generaal leed een zware nederlaag, waarbij hij dodelijk gewond raakte. Na zijn dood viel het rijk uiteen. Vrijwel niets herinnert nog aan die korte heerschappij van de woestijnruiters.'

Nadal dronk zijn woorden in. Maar Kanter zei verder niets. Hij was benieuwd naar haar reactie. Zij dacht na over wat haar verteld werd. Zij zou het goed gedaan hebben aan de universiteiten van Weldigon.

'Alleen hun taal?' zei ze zacht.

'Heel goed, Nadal.'

Haar gezicht lichtte op.

'Alleen hun taal. Het Kunach wordt nog steeds gebruikt door handelaren en diplomaten. Het is de enige taal die overal begrepen en gesproken wordt. Zelfs in aantal gebieden ten noorden van de Agilon.'

Hij vertelde Nadal nog wat wetenswaardigheden over de woestijnvolken en hun soms eigenaardige gewoontes. Tot zijn genoegen zag hij dat Kalin steeds meer belangstelling toonde. Maar hij vermeed zorgvuldig zelfs maar in haar richting te kijken.

Tenslotte klonk de bel voor het avondeten.

Nadal en Kalin stonden op. Nadal neeg het hoofd. 'Dank u, leraar Usarif. Ik heb genoten van de les.'

Kanter boog diep.

'Het was me een genoegen, vrouwe Nadal. Vrouwe Kalin.'

Kalin knikte slechts. Kanter keek haar na. Hij was nog nooit zo lang zo dicht bij haar geweest.

* * *

Naast het leslokaal was de enige andere kamer in het huis waar Kanter vrij toegang had: meester Kadirs bibliotheek. Zelfs in vergelijking met de boeken die zijn ouders hadden gehad, stelde de collectie van meester Kadir niet veel voor. Maar toen hij hier voor het eerst was geweest, hadden er zes boeken gestaan, allemaal in het Matili, de plaatselijke taal, waaronder een dichtbundeltje, een verslag van een reis naar Tegga Dun door een van meester Kadirs voorvaderen en een afschrift van het wetboek. Hij had zich de taal in slechts een paar dagen eigen gemaakt en omdat het Matili geschreven werd in hetzelfde alfabet als in zijn vaderland gebruikt werd, had hij de boeken al snel kunnen lezen.

Inmiddels stonden er ruim vijftig boeken. Veel daarvan had meester Kadir aangeschaft op suggestie van Kanter. De meeste waren in het Kunach, boeken over de geschiedenis van de regio, over de planten en dieren in dit gebied en zelfs een exemplaar van de 'Wijsheid van Nazire.'

Ook voor de slaven werd nu het eten opgediend, maar Kanter had geen trek.

Hij pakte de 'Wijsheid' en ging op de grond zitten met zijn rug tegen de muur. Hij zocht naar troost in de wijze woorden van de legendarische koning, maar het lukte hem niet om het beeld van de dode Ulassar te verdrijven.

* * *

Kanter stond in het kantoortje waar Ulassar de boeken had bijgehouden. Meester Kadir zat.

Onder het toeziend oog van meester Kadir hadden Utar, de andere slaaf die in het magazijn werkte, en hijzelf Ulassar in een eenvoudig graf gelegd op het grafveld van het landgoed. Er was geen enkele ceremonie geweest. Hij was maar een slaaf en hij had geen vrouw of kinderen gehad.

Kanter had een paar woorden van dank gemompeld toen ze klaar waren en de meester en Utar al teruggegaan waren. Hij had veel gehuild. De hele nacht.

Maar nu was de nieuwe dag aangebroken en meester Kadir had hem naar het kantoortje geroepen. Hier lagen de boeken die Ulassar had bijgehouden en de voorraden van de verschillende kleurstoffen die gebruikt werden om de wol voor de tapijten te verven.

'Ik heb een probleem, Usarif,' zei meester Kadir.

Kanter knikte. Hij wist wel wat het probleem was. Wie ging er nu voor de boeken zorgen?

'Jij hebt ervaring met deze boeken, toch?' Hij legde zijn hand op het kasboek dat op de tafel lag.

'Ja, meester,' antwoordde Kanter. 'Ik heb Ulassar af en toe geholpen.'

Kadir sloeg het boek open en bladerde er doorheen. Alles werd daarin genoteerd, de uitgaven voor kleurstoffen en wol, de prijzen voor de tapijten die geleverd werden, de opbrengsten.

'Je hebt een mooi, duidelijk handschrift.'

'Dank u, meester.'

'Ik wil dat jij Ulasssars taak als schrijver overneemt. Dat was altijd mijn bedoeling. Daar heb ik je indertijd voor gekocht. Je zult het naast je bestaande taken in het magazijn moeten doen. Maar je krijgt Ulassars kamer en een koperstuk per week. Als je je werk goed doet, kan dat meer worden.'

Het was een teken hoe belangrijk de meester dit werk vond.

'Meester, Utar werkt al veel langer voor u. Hij kent de handel ook goed.' En de kans was groot dat hij aan de deur stond te luisteren.

Kadir hief zijn hand op.

'Utar is een goede kracht, maar hij kan lezen noch schrijven.'

Kanter knikte. Dat wist hij, maar Utar moest het ook weten. Hij had een probleem als Utar het hem kwalijk nam dat hij nu de baas was in het magazijn.

'En nu ...' meester Kadir stond op en opende de deur. Hij keek naar alle kanten, sloot de deur weer en ging zitten. 'Zweer me nu bij wat jou heilig is, dat je mijn geheimen zult bewaren.'

Kanter keek zijn meester verbaasd aan. Geheimen? Hoeveel hij betaalde of ontving voor zijn tapijten? Waar hij zijn kleurstoffen kocht?

'Doe het,' zei Kadir streng.

Kanter legde een hand op zijn voorhoofd en een hand op zijn hart zoals hij de mensen hier wel had zien doen. 'Bij de alwetende, de maker van hemel en aarde,' zei Kanter de woorden van vroeger herhalend, 'die troont in de Hoogte zweer ik dat al uw geheimen zal bewaren.'

'Misschien kunnen we nu beter even het veld in gaan,' zei meester Kadir terwijl hij opstond.

Samen verlieten ze het magazijn, staken de binnenplaats over en gingen door de poort naar buiten. Kadir ging naar rechts en liep verder de heuvel op.

Op geruime afstand van het landhuis bleef hij staan en keek Kanter indringend aan.

'De voorraden van tapijten, kleurstoffen en wol en de aan- en verkopen waren niet het enige wat Ulassar bijhield,' zei Kadir op zachte toon. 'Met enige regelmaat, steeds rond de volle maan, komen hier karavaan uit het zuiden.'

Kanter knikte. 'De kleurstoffen.'

'Dat,' zei Kadir nog zachter, 'en bessa.'

'Wat?'

'Stil,' siste Kadir. 'Bessa, ja. Ulassar heeft waarschijnlijk uit mijn voorraad gestolen.' Er klonk woede in zijn stem. Kadir beet op zijn onderlip.

'De Talechi brengen bessa, die moet ik opslaan en dan naar andere plaatsen moet overbrengen conform de opdrachten die ik daartoe krijg.'

'U handelt in bessa?' Kanter kon zijn oren niet geloven. Het bezit van en de handel in blad waren streng verboden in Tevora.

Kadir keek Kanter schuldbewust aan.

'Ik heb mij daartoe laten verleiden,' zei hij zacht. 'En nu kan ik niet meer terug. Als hier iets van bekend wordt, de sjar er iets van merkt, wordt dat mijn dood. En mijn vrouw en dochters worden als slavinnen verkocht.'

Kalin? En Nadal? Slavinnen? Kanter huiverde bij het lot dat zulke knappe meisjes dan te wachten stond. En ook vrouwe Kadir.

'Ik zie dat je snapt wat dat inhoudt,' zei meester Kadir. Zijn gezicht stond grimmig. 'En dat wil jij niet op je geweten hebben.'

'Nee, meester,' zei Kanter geschokt. Niet Kalin, niet Nadal. 'Uw geheimen zijn veilig bij mij.'

'Zorg dan dat je je werk goed doet. En dat niemand anders erachter komt.'

'Weet Utar hiervan, meester?'

Utar was bijna altijd in het magazijn aan het werk. Hij en Kanter verplaatsten de geleverde en de verkochte tapijten.

'Nee. En dat moet zo blijven.'

Kanter knikte. Maar hij vroeg zich af of het waar was. Hoe had Ulassar zoiets voor hem verborgen kunnen houden. Aan de andere kant, hij had zelf ook nooit wat in de gaten gehad. Hij zou er in ieder geval zijn best doen.

'Ik stuur Utar morgen naar de stad om de voorraad daar op te halen. Dan zal ik laten zien wat je moet doen.' Kadir keek om zich heen en leek zich wat te ontspannen. 'Begin nu maar met de boeken te controleren. Zorg dat alles op orde is.'

Kanter boog. 'Zoals u beveelt, meester.'

Hij liep terug naar het landhuis en liet zijn meester op de helling achter.

* * *

De volgende ochtend, nadat meester Kadir Utar naar de stad gestuurd, nam hij Kanter mee naar het kantoor.

Hij liep naar de achterwand en wees Kanter de hoek van een van de twaalf panelen aan waarmee de wand was bedekt. Hij duwde met twee vingers tegen de hoek aan en het paneel ernaast sprong open.

Kadir sloot het paneel weer.

'Nou jij.'

Hij probeerde zijn meester na te doen, maar er gebeurde niets. Kadir glimlachte en zette zijn vingers naast die van Kanter.

'Kijk, zo.'

Hij duwde en het paneel sprong open. Hij duwde het weer dicht en nu probeerde Kanter het opnieuw. Deze keer sprong het paneel open.

Achter het luik was een ruimte van ongeveer een meter diep over de hele breedte van de muur.

'Hier bergen we de bessa op wanneer het door de karavaan is afgeleverd. Het aantal balen verschilt per keer. Meestal is het alleen groen blad, soms zit er ook gedroogd blad bij. Ik betaal een vaste prijs voor allebei en krijg dat weer vergoed van heer Baura plus tien procent.'

Kadir stak zijn hoofd door het paneel en haalde een boek tevoorschijn.

'Hierin noteer je wat we ontvangen hebben en welke prijs ik betaald heb. Je maakt meteen een afschrift voor heer Baura.'

Hij legde het boek weer terug.

'Als er een lading is bezorgd, ga ik met het afschrift naar heer Baura. Hij vertelt me dan wanneer en waar het heen verzonden moet worden.'

'Vergeef me, meester,' zei Kanter, 'maar ... hoe wordt het dan verzonden? Dat valt toch op?'

Meester Kadir slaakte een diepe zucht.

'We verbergen het in een aantal tapijten. Die gaan naar de connecties van heer Baura. Die halen het blad eruit en zenden de tapijten door naar handelaren.'

Hij schudde zijn hoofd.

'Ik krijg daar lang niet zo'n goede prijs voor als in de normale handel. Die tien procent dekt dat verschil meestal niet.' Hij zweeg even. 'Maar we kunnen ons leven leven.'

Hij sloot het paneel weer.

'Dat boek mag nooit in handen van anderen vallen. Als het niet anders kan, moet je het vernietigen!'

'Zoals u beveelt, meester.'